30-07-2018

Wat als achteraf blijkt dat je te weinig belasting hebt betaald?

De definitieve aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting ligt op de deurmat. De op de aanslag verschuldigde belasting betalen (of terugontvangen) en er is weer een belastingjaar afgerond.
Maar wat als blijkt dat de aanslag niet juist is?

Twee mogelijkheden

Er zijn dan uiteraard twee mogelijkheden:

  1. je hebt te weinig belasting betaald;
  2. je hebt teveel belasting betaald.

Wanneer je teveel belasting hebt betaald en de bezwaartermijn van de aanslag is verstreken, heb je geen formele ingang. Natuurlijk mag je de Belastingdienst vriendelijk vragen of je het teveel betaalde bedrag mag terugontvangen. De Belastingdienst kan daar dan ambtshalve aan tegemoet komen. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een ambtshalve teruggave van belasting bespreken wij niet in dit artikel.

Navordering

Wanneer blijkt dat je te weinig belasting hebt betaald, dan heeft de Belastingdienst ruime bevoegdheden tot het opleggen van een nieuwe aanslag. Dat is dan een navorderingsaanslag. Een navorderingsaanslag mag worden opgelegd, wanneer wordt voldaan aan twee voorwaarden:

  • de aanslag wordt opgelegd binnen 5 jaar na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven;
  • de Belastingdienst beschikt over een nieuw feit.

De termijn van 5 jaar wordt verlengd met de periode waarvoor de Belastingdienst uitstel heeft verleend voor het indienen van de aangifte. LET OP: het gaat niet om de periode gedurende welke je daadwerkelijk uitstel hebt genoten, maar de periode waarvoor het uitstel is verleend.

Als het voorwerp van de belasting in het buitenland is opgekomen, wordt de termijn van 5 jaren verlengd naar maar liefst 12 jaren.

Nieuw feit

Lange tijd mocht de Belastingdienst alleen navorderen indien de te weinig betaalde belasting was te wijten aan een nieuw feit. Dat is een feit dat de Belastingdienst niet bekend was en ook redelijkerwijs niet bekend kon zijn. Daar is inmiddels aan toegevoegd dat ook sprake is van een nieuw feit wanneer de Belastingplichtige te kwader trouw is. Dit is bijvoorbeeld aan de orde wanneer de belastingplichtige met opzet inlichtingen aan de Belastingdienst heeft onthouden of bewust onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

En navordering is zonder meer mogelijk wanneer:

  • de  verrekening van een  voorlopige aanslag, voorheffing, voorlopige teruggaaf of verliesverrekening niet correct heeft plaatsgevonden;
  • het gaat om de toerekening van inkomensbestanddelen en aftrekposten tussen fiscaal partners;
  • het je redelijkerwijs kenbaar moet zijn dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (en dit wordt aangenomen wanneer de te weinig geheven belasting 30% of meer bedraagt van de verschuldigde belasting).

Foutenleer

Naast navordering heeft de Belastingdienst overigens nog andere manieren om fouten in aanslagen en beschikkingen te herstellen. Daarbij geldt niet de voorwaarde van een nieuw feit. Het belangrijkste herstelmechanisme is de zogeheten foutenleer. Fouten bij de vaststelling van de winst uit onderneming mogen zonder meer worden hersteld, als ze van invloed zijn op de balanscontinuïteit.

Hoge Raad

Recent heeft de Hoge Raad in twee gevallen beslist over de ruime bevoegdheden van de Belastingdienst om belasting na te vorderen. Het ging in beide gevallen om het herstellen van zaken die niet goed gingen in de software die de Belastingdienst gebruikt voor het opleggen van aanslagen.

De ene zaak betreft een ondernemer, die in zijn aangifte de zelfstandigen- en startersaftrek claimde. Die aftrekken werden door de Belastingdienst geweigerd bij het opleggen van de definitieve aanslag. Daardoor bestond ook geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack). Maar die korting stond, door een foutje in de software van de Belastingdienst, toch op de definitieve aanslag. De Hoge Raad beslist dat de Belastingdienst had moeten onderzoeken of de aan de geweigerde zelfstandigen- en startersaftrek gekoppelde iack terecht werd verleend. Door dat niet te doen is sprake van een verwijtbaar onjuist inzicht van de Belastingdienst, waardoor navordering niet is toegestaan.

In de andere zaak gaat het om een bij een belegger ingesteld boekenonderzoek. De controlerend ambtenaar vergeet om in het computersysteem van de Belastingdienst aan te tekenen dat het onderzoek is ingesteld. Voordat het boekenonderzoek is afgerond, worden via de automatische aanslagregeling van de onderzochte jaren de definitieve aanslagen opgelegd. Uiteraard wordt daarbij met de bevindingen uit het boekenonderzoek geen rekening gehouden. De Hoge Raad beslist dat dit een fout is, die de belastingplichtig redelijkerwijs kenbaar moet zijn geweest, zodat de uit het boekenonderzoek voortvloeiende belasting door middel van een navorderingsaanslag kan worden geïnd.